Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

Lezing | Afdrukken |  E-mail
CNV themadag schoolleiders
Titel:
Pedagogisch leiderschap: van controle naar visie
Hoe creëer je een onderwijsklimaat waarin leerlingen én leerkrachten groeien en ontwikkelen?
(figuur 1)

Bob van der Meer

Inleiding
In 1988 bracht ik mijn eerste boek over pesten uit.
In 1991 formuleerde ik mijn eerste eis voor een goede aanpak van pesten in een bijdrage aan een boek. In 1993 mijn tweede eis in een eigen boek. En in 1995 mijn derde eis, wederom in een bijdrage aan een boek (rubriek Een goede aanpak van pesten: drie eisen, tweede kolom verticaal op de homepage van www.pesten.net).
Vanaf 1995 schreef ik brieven aan alle ministers en staatssecretarissen van OCW die verantwoordelijk waren voor het beleid inzake pesten, ook aan de toenmalige staatssecretaris, mevrouw van Bijsterveldt. Haar ontmoette ik toen zij burgemeester was van een dorpje onder de rook van Rotterdam. Zij opende de avond waarvan ik gastspreker over pesten was. In haar toespraak gaf zij aan dat zij dit onderwerp voor kinderen van het allergrootste belang vond en er alles aan wilde doen om dit probleem uit de wereld te helpen. 
 
Toen zij dan ook staatssecretaris van het ministerie van Onderwijs werd dacht ik dat het moment gekomen was haar in te lichten over het feit dat de bij benadering acht ton op jaarbasis die haar ministerie vanaf 1995 aan de aanpak van pesten besteedde geen enkel effect had en werd besteed aan andere en ook zinloze zaken (rubriek Pestenleaks, tweede gedeelte, mijn werkzaamheden bij het APS van 1995-200, eerste rij horizontaal op de homepage van www.pesten.net). In deze brieven sprak ik ook over corruptie binnen haar ministerie. 
Na een aantal brieven kreeg ik van haar bericht dat zij ze geen brieven meer van mij wenste te ontvangen omdat ik telkens hetzelfde vertelde. Dat respecteerde ik. 
 
Toen echter in 2010 het pestprobleem in Nederland uit de hand begon te lopen, moest ik, omdat hier geen sprake (meer) van corruptie was, haar hiervan op de hoogte stellen en schreef ik haar op 07-02-2011, ruim anderhalf jaar voor de zelfmoord van Tim Ribberink vanwege pesten toch maar een brief. De aanleiding tot deze brief was een groot aantal verontrustende ontwikkelingen,  waaronder een significante toename van het aantal zelfdodingen vanwege pesten door Nederlandse scholieren (rubriek Open brieven, nummer 001, derde kolom verticaal www.pesten.net). 
Ondanks het feit dat het een nieuw onderwerp was, reageerde zij tot aan haar aftreden niet.
 
In november 2012 maakte Tim Ribberink vanwege pesten een einde aan zijn leven. Om niet verantwoordelijk te worden gesteld voor het vanaf 1995 vertoonde gebrek aan daadkracht van het ministerie, kwam het ministerie voor het eerst in beweging. De staatssecretaris, met in zijn kielzog de Kinderombudsman of andersom, wie zal het zeggen, kondigde aan met een aantal specialisten op dit gebied van gedachten te wisselen om met een Plan van aanpak te komen.
Het plan is er nu. Het is een slecht plan. Dat vind niet alleen ik, maar ook Zeger Wijnands die aan de gesprekken met de staatssecretaris en de Kinderombudsman over een plan van aanpak van pesten had deelgenomen (rubriek Open brieven, nummer 009, Brief van Zeger Wijnands aan de staatssecretaris en de Kinderombudsman op www.pesten.net); Els Hendrikse, voorzitter van de Stichting Veilig Onderwijs, de NLOO, een stichting waarin achttien ouderverenigingen zich hebben verenigd, Algemene Scholleiders Vereniging en de Algemene Onderwijs Bond, niet de minsten dus.
 
In de lezing die ik nu ga houden geef ik twee argumenten, met behulp waarvan scholen de door de staatssecretaris, Kinderombudsman en Nederlands Jeugd Instituut verplicht te stellen antipestprogramma’s, kunnen weigeren. Als volgt. 
 
Pedagogisch leiderschap: van controle naar visie
Hoe creëer je een onderwijsklimaat waarin leerlingen én leerkrachten groeien en ontwikkelen?
 
Toen ik het eerste deel van deze titel, pedagogisch leiderschap, las, kwam direct de indeling van J.J. Hermans in zijn boek Niet-voortgezet onderwijs, voortijdig schoolverlaten in het voortgezet onderwijs: omvang, aard en voorspelbaarheid, in herinnering. 
Hierin behandelt hij de vier taken van iedere leerkracht. Twee van deze taken liggen op het gebied van de leerwereld van de leerlingen: de leerkracht als vakkundige en de leerkracht als didacticus. En twee van deze taken liggen op het gebied van de leefwereld van de leerlingen: de leerkracht als pedagoog en de leerkracht als groepswerker, in de zin van: weet hebben van wat zich tussen leerlingen op emotioneel-affectief gebied afspeelt, anders gezegd: weet hebben van groepsdynamische processen en psychologische mechanismen.
 
Als dit de vier taken van iedere leerkracht zijn, is het derhalve ook de taak van de schoolleider, namelijk door de leerkracht in staat te stellen zijn vier taken, waaronder pedagoog zijn, optimaal uit te voeren.
 
1 Ontwikkeling van normen en waarden
2 Het op school vigerende mens- en maatschappijbeeld, tot uiting komend in concrete gedragingen en in het schoolbeleid
3 Aan leerlingen verantwoordelijkheid geven
(figuur 2)

Als we het dan hebben over het pedagogisch handelen van de leerkracht, hebben we het volgens Hermans over drie aspecten, te weten: ontwikkeling van normen en waarden; over het op school vigerende mens- en maatschappijbeeld, hoe dit tot uiting komt in concrete gedragingen en in het schoolbeleid; en het geven van verantwoordelijkheid aan de leerlingen (figuur 2), drie onderwerpen waar ik nu graag op in wil gaan.
 
Veiligheid
- Een voor leerlingen, leerkrachten en ouders belangrijke waarde is veiligheid
- Veiligheid is de tweede behoefte van iedere leerling en iedere volwassene
- De vraag is dan waardoor scholen onveilig worden gemaakt
- Verklaringsmodel van geweld een goed hulpmiddel
(figuur 3)
 
1 Normen- en waardenontwikkeling
Wanneer ík het heb over waarden, dan is de waarde die ik belangrijk vind: veiligheid, volgens de behoeftetheorie van Maslov, de tweede behoefte van ieder kind en iedere volwassene (figuur 3). 
Omdat veiligheid een voor iedereen belangrijke waarde is, is het zaak te onderzoeken waardoor scholen onveilig worden gemaakt of in mindere of meerdere mate onveilig zijn. Hiervoor is een verklaringsmodel  van geweld een uitstekend hulpmiddel. In uw map bevindt zich een dergelijk model (figuur 4). 
De lezer van deze rubriek verkrijgt het model en de toelichting erop door naar www.pesten.net te gaan, op de site naar de vijfde kolom verticaal naar Verklaringsmodel te gaan, dit aan te klikken, rechtsboven twee keer Afdrukken aan te klikken en het uit te printen.
 
In dit model ga ik uit van de rond 1940 uitgebrachte frustratie-agressie hypothese. Deze luidde: frustratie leidt altijd tot agressie en de enige bron van agressie is frustratie.
Pas in 1964 kwam daar van Berkowitz kritiek op. 
Zijn eerste punt van kritiek was: frustratie leidt niet noodzakelijkerwijs tot agressie. Er zijn ook andere manieren om met frustratie om te gaan. Daar plaatste ik: het verzet van leerlingen tegen de school, ook wel anti-school cultuur of counter school culture genoemd.
Een tweede punt van kritiek van Berkowitz was: agressie wordt niet alleen veroorzaakt door frustratie, er zijn ook andere bronnen. Daar vulde ik zes factoren in.
 
Het model breidde ik daarna op de volgende drie manieren uit:
1 Een gefrustreerde leerling kan op een positieve manier met zijn of haar agressie omgaan, namelijk door middel van sporten. Hierbij moet er dan echter wel zorg voor worden gedragen dat leerlingen niet voortdurend competitie met elkaar moeten bedrijven. Dan is het middel erger dan de kwaal.
2 Als de leerling zijn agressie niet op deze positieve manier kan uiten, heeft hij vijf negatieve manieren met zijn agressie om te gaan, namelijk door middel van:
- Geweld tegen zichzelf. We hebben het dan over de gepeste of buitengesloten leerling. Hij of zij doet dat door: depressie, eetstoornissen, laag zelfbeeld, automutilatie, post traumatisch stress stoornis en overwegingen of pogingen tot zelfdoding, ook wel internaliserende gedragsproblemen genoemd.
- Geweld tegen ‘de ander’. In de schoolsituatie betekent dit ongewenste omgangsvormen tussen leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, tussen school en ouders en tussen ouders en school.
- Direct geweld tegen school, door middel van vernielen of stelen van schooleigendommen.
- Indirect geweld tegen school, door middel van schoolverzuim, spijbelen of voortijdig de school verlaten.
- Geweld tegen de maatschappij, door middel van criminaliteit.
Deze vier laatste vormen van geweld worden externaliserende gedragsproblemen genoemd.

Manieren van omgang van mensen met elkaar, volgens Allport
op vriendschap-               samenwerking
pelijke wijze
                                            respect

                                            tolerantie

                                            sympathie/
                                            antipathie

                                            vooroordelen 

                                            discriminatie
op vijandige
wijze                                   het zondebokfenomeen

(figuur 5)

Ter verklaring van het geweld tegen ‘de ander’ uit mijn verklaringsmodel van geweld wordt de theorie van Allport gebruikt (figuur 5). 
Hem werd na de Tweede Wereldoorlog gevraagd de Shoah te verklaren. Zijn verklaring was als volgt: Mensen gaan op twee manieren met elkaar om: op een vriendschappelijke of op een vijandige manier. De ‘omslag’ van vriendschappelijk naar vijandig ligt volgens hem bij sympathie/antipathie. Als niets wordt gedaan tegen antipathie, was zijn stelling, leidt dat tot vooroordelen; vooroordelen tot discriminatie en discriminatie tot het zondebokfenomeen, het verschijnsel dat mens en dier slachtoffers (nodig) hebben, in feite de meest vijandige manier van omgang van mensen en kinderen met elkaar. 
 
- Leerlingen onderling
- Leerlingen en leerkrachten
- Leerkrachten en leerlingen
- Personeel onderling
- School en ouders
- Ouders en school 
Afname van enquête
Voortest-activiteit-natest
(figuur 6)
 
Binnen school kunnen, zoals hierboven reeds gezegd, zes groepen worden onderscheiden waarin geweld tegen ‘de ander’ of waartussen onveiligheid, pesten, ongewenste omgangsvormen kunnen optreden, namelijk tussen leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, school en ouders en tussen ouders en school (figuur 6):
 
Om er achter te komen of en in hoeverre een school al dan niet veilig is, werd een eenvoudige enquête ontwikkeld, met behulp waarvan het team alle mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen de verschillende groeperingen binnen school, zonder daarvoor gestraft te worden, kunnen opschrijven. De resultaten van deze enquête worden gebruikt als een voortest. Daarna kunnen activiteiten ter verbetering van de psychosociale veiligheid worden uitgevoerd, waarna tot slot wederom door middel van het geven van een cijfer kan worden vastgesteld of en in hoeverre de uitgevoerde activiteiten succes hebben gehad: natest.
 
Een concreet voorbeeld.
Basisschool De Kleine Kapitein op Borneo Eiland in Amsterdam. De IB-ervan deze school belde op met de vraag om met het team goed beleid op pesten samen te stellen. In het eerste studiedagdeel ontvouwde ik mijn verklaringsmodel van geweld, waarna de teamleden mijn enquête invulden. De enquête stelt de vraag: welke ongewenste omgangsvormen zie je tussen leerlingen, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, tussen school en ouders en tussen ouders en school. Voor elk van deze categorieën werden een cijfer en oplossingen gegeven. De laatste vraag was: wat vind je fijn aan het werken op deze school?
De rest van het studiedagdeel werd besteed aan het inventariseren van vragen over pesten die men beantwoord wilde zien, met het beantwoorden van een aantal van deze vragen en de belofte om de overgebleven vragen in de daarop volgende studiedag te beantwoorden.
De verwerking van de gegevens gebeurt dan als volgt. Alle opmerkingen per onderwerp worden onder elkaar geplaatst; de cijfers opgeteld en gemiddeld, zodat er een ordinale schaal ontstaat en worden ook de goede aspecten van de school onder elkaar gezet. Hieruit kwam pesten als voornaamste probleem, en als tweede probleem: de ongewenste omgangsvormen tussen ouders en school.
In de daaropvolgende studiedag werden de enquêteresultaten uitgedeeld, gelezen en besproken, waarna een voorstel werd gelezen en besproken om door middel van een met elkaar vast te stellen procedure de relaties met de ouders te verbeteren.
 
Daarna ging het team aan de slag met het maken van beleid op de volgende onderwerpen:
- Mogelijke inpassing van de regels en pictogrammen van de Fiep Westendorp Foundation (logo Jip en Janneke op de homepage van www.pesten.net) en een aantal rollenspelen uit Het Blauwe Boek in de door de school reeds gehanteerde sociale vaardigheidstraining Goed Gedaan voor de onderbouwleerlingen.
- Het door leerlingen van midden- en bovenbouw met elkaar maken van regels om hen in de eerste plaats verantwoordelijk te maken voor elkaars psychosociale veiligheid en in de tweede plaats om op die manier te werken aan hun ontwikkeling van normen en waarden.
- Hulp aan de pester.
- Signaleren door leerkrachten.
- Cyberpesten.
- Lessuggesties voor midden- en bovenbouwleerlingen.
- De inschakeling van ouders.
 
Voor het maken van beleid op deze onderwerpen verdeelde het team zich in groepen, kregen de groepen opdrachten en maakten zij met behulp hiervan beleid, dat in het laatste half uur van de dag met elkaar werd uitgewisseld.
Dit was een succes. De door de teamleden gemaakte beleidsonderdelen worden nu als bijlagen bij het conceptbeleidsplan psychosociale veiligheid (rubriek Gratis, Beleidsplan psychosociale veiligheid basisonderwijs op www.pesten.net) op het beveiligde intranet van de school opgeslagen, waarna het door het team gemaakte beleidsplan door de leiding aan alle schoolgeledingen ter goedkeuring zal worden aangeboden, aanvaard, uitgevoerd en eens per jaar geëvalueerd. Het team maakt dus niet alleen beleid, maar voert ook zelfstandig onderzoek uit, om welke reden een school in de toekomst niet meer afhankelijk is of wordt gemaakt van onderzoekers. Immers in mijn optiek is elke school perfect in staat om, met goede producten, een voortest, achtiviteiten en een natest uit te voeren: voortest, activiteit, natest.
 
Tot slot werd voor de ouders van de school een lezing uitgevoerd, waarin zij op de hoogte werden gesteld van het beleid; werden hun vragen beantwoord en werden zij geattendeerd op de rubriek Gratis, Adviezen voor ouders van pesters, Adviezen voor ouders van slachtoffers en Adviezen aan alle overige ouders.
Met andere woorden. Het team van De Kleine Kapitein in Amsterdam heeft bewezen dat niemand een team hoeft te vertellen hoe beleid op pesten en andere ongewenste omgangsvormen gemaakt moet worden. Teams zijn met goede hulpmiddelen perfect in staat dat zelf te doen en hebben daar geen staatssecretaris, een Kinderombudsman of een Nederlands Jeugd Instituut voor nodig. Maar dit terzijde.

Definitie zondebokfenomeen
‘Het zondebokfenomeen is de overdracht van vijandigheid op een onschuldig en hulpeloos slachtoffer, wanneer of omdat de eigenlijke bron van frustratie niet aanwezig is of om andere redenen niet aangevallen kan worden’.
(figuur 7)
 
Keren we terug naar het zondebokfenomeen (figuur 5), door Allport gezien als de meest vijandige manier van omgang van mensen met elkaar.
 
Een wetenschappelijke definitie van het zondebokfenomeen luidt als volgt (figuur 7): ‘Het zondebokfenomeen is de overdracht van vijandigheid op een onschuldig en hulpeloos slachtoffer, wanneer of omdat de eigenlijke bron van frustratie niet aanwezig is of om andere redenen niet aangevallen kan worden’.
 
Een voorbeeld om dit duidelijk te maken.
U gaat met hoopvolle verwachtingen naar school. De zon schijnt, het ontbijt is goed gevallen, een aantal lopende problemen is gisteren met succes opgelost. Deze dag zal lukken. 
Op school aangekomen komen uw verwachtingen echter niet uit: de boven schools manager belt, een ouder belt op met een klacht, een klaarblijkelijk opgelost probleem begint weer opnieuw. U gaat naar huis toe, steekt de sleutel in het slot, doet de deur open en wat gebeurt? Uw kat staat op u te wachten en miauwt luid omdat hij honger heeft. Wat doet u? U geeft hem een schop of verwenst hem hardgrondig. Dit is een praktijkvoorbeeld, een eigen voorbeeld. De kat heeft het overigens overleefd.
Dan is de overdracht van vijandigheid uit de definitie de schop of de hardgrondige verwensing. Het slachtoffer is op dat moment uw kat, maar kan ook iemand anders onderweg of thuis zijn. De kat is onschuldig. Hij kon er niets aan doen dat uw verwachtingen niet uitkwamen. En is ook hulpeloos. U bent altijd sterker. De eigenlijke bron van frustratie waren de omstandigheden op uw school, die geschopt noch verwenst konden worden. 
Heel kort gezegd: u wordt gefrustreerd, zet uw frustratie om in agressie en uw agressie zet u om in geweld tegen ‘de ander’, de mindere in de sociale rangorde: frustratie, agressie, geweld tegen een ‘mindere’ in de sociale rangorde.
 
Het zondebokfenomeen
- Groepsprobleem, aangetoond bij dier en mens
- Maatschappelijk probleem
- Probleem van alle tijden
(figuur 8)
 
Het zondebokfenomeen is overigens niet beperkt tot uw relatie met uw kat, het gaat verder (figuur 8). Het is namelijk een groepsprobleem, aangetoond bij dier en mens een maatschappelijk probleem én een probleem van alle tijden. 
Als groepsprobleem is het aangetoond bij dieren: bij apen, ratten, kippen en katten. Als we als voorbeeld kippen nemen. Als kippen vrij mogen lopen in een ren, is er altijd een kip die tot bloedens toe door de andere kippen wordt gepikt. Men dacht dat het aan de kenmerken van deze kip lag, haalde haar uit de ren om daarna te merken dat er een nieuw slachtoffer voor in de plaats was gekomen. Toen kwam men op het idee het slachtoffer van de groep te injecteren met hormonale middelen. Zij werd slachtoffer af, maar de groep koos zich wel weer een nieuw slachtoffer uit. 
Bij mensen is het aangetoond in gezinnen, in het onderwijs, leger, bedrijven, inrichtingen en bij senioren in tehuizen.
Het is in de tweede plaats een maatschappelijk verschijnsel. Voorbeelden hiervan zijn: vrouwenmishandeling, kindermishandeling, seksueel misbruik, huiselijk geweld en seksuele intimidatie. 
En tot slot is het een verschijnsel van alle tijden. Voorbeelden hiervan zijn: de Joden-, heksen- en homovervolging. 
 
We hebben het derhalve, wanneer we het hebben over pesten op school, niet over een probleem dat door middel van een antipestprogramma kan worden aangepakt en opgelost, maar over fundamentele zaken. En wanneer we in staat zijn het pestprobleem op scholen goed aan te pakken en op te lossen, zijn we in staat om ook bovengenoemde andere geweldproblemen zoveel als mogelijk op te lossen.
 
Keren we weer terug naar het verklaringsmodel van geweld.
Het enige probleem dat daarna nog moest worden opgelost was, en dat was de derde aanvulling op de kritiek van Berkowitz op de frustratie-agressie hypothese: een goede verklaring vinden voor het ontstaan van frustratie. De mogelijke oorzaken zijn talloos die allen niet in het model konden worden geplaatst.
 
Het eureka-moment ontstond na het lezen van een de boeken van René Girard, getiteld De zondebok (Le Bouc Émissaire). Daarin stelt hij dat in tijden van crisis, die sociaal, cultureel of economisch van aard kunnen zijn, de massa, wij dus, niet achter de mogelijke oorzaak of oorzaken ervan probeert te komen en ze aanpakt, maar op zoek gaat naar een individu of een groep en het individu of de groep verantwoordelijk stelt voor de crisis. Als voorbeeld hiervoor geeft hij Nazi-Duitsland. In Duitsland was sprake van in ieder geval een economische crisis. In dit soort tijden gaat men op zoek naar een sterke leider. Omdat ‘goede’ leiders of volksmenners weten dat de in de maatschappij aanwezige frustratie en agressie ook op hem kan worden gericht, gaat hij op zoek naar groepen in de maatschappij met weinig macht en ‘anders’, dit wil zeggen afwijkend van de norm, in dit geval de Joden, de homoseksuelen, de mentaal geretardeerden en de zigeuners.
   
Deze macrotheorie, zoals ontdekt en uitgewerkt door Girard, heb ik toegepast op de microsituatie, de klas of groep. 
In het model heb ik daartoe twee oorzaken opgenomen: oorzaak binnen de groep: slechte relaties tussen de leerlingen, jaloezie, afgunst, strijd om het leiderschap binnen de groep en oorzaak buiten de groep: autoritair gedrag van leerkrachten. Er zijn er echter meer die ik niet in de visuele weergave van het model heb opgenomen.
 
En nu komt mijn derde aanvulling op de kritiek van Berkowitz op de frustratie-agressie hypothese, dat een fundamenteel argument  voor protestant-christelijke en katholieke scholen is om elke door het ministerie, Kinderombudsman en Nederlands Jeugd Instituut verplichte antipestmethode te weigeren (figuur 9). 
 
Centrale thema’s uit het Oude en nieuwe Testament
- Het zondebokmechanisme:
Abel, Mozes, Job, Jona, Johannes de Doper, 
Jezus Christus (Leviticus, 16, 18-21)
- “Ben ik mijn broeders hoeder?”
(figuur 9)
 
Ten eerste noemt Girard het bovenbeschreven verschijnsel het zondebokmechanisme, welk mechanisme volgens hem een van de centrale thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament is. Voorbeelden van de zondebokken die hij onderscheidt zijn: Abel, Mozes, Job, Jona, Johannes de Doper en Jezus Christus. 
 Het zondebokmechanisme is op een prachtige manier in het Oude Testament, in Leviticus 16, 18-21, verwoord. Daarin wordt beschreven dat Aäron, de hogepriester, onder bepaalde ceremoniën, de zonden van de aanwezige stamleden overbrengt op twee lammeren. Het ene wordt geslacht(offerd) en het andere wordt, tot prooi van de wilde dieren, de wildernis ingedreven.
Mooier heb ik het religieuze zondebokmechanisme, zoals Girard het noemt, of het profane zondebokfenomeen, zoals ik dat in de psychologische literatuur ben tegengekomen, niet beschreven gezien.
Het tweede interessante aspect in dit verband is de Evangelische opdracht: je sterk te maken voor de zwakke in de samenleving, een ander centraal thema in de Evangeliën, verwoord in de vraag “Ben ik mijn broeders hoeder?” Toegepast op micro- of schoolsituatie: je sterk maken voor de zwakke of zwak gemaakte leerling binnen groepen. Als de door het ministerie, Kinderombudsman en Nederlands Jeugd Instituut verplicht gestelde antipestmethode niet uitgaat van ook dit principe, is deze omissie een tweede argument om elke door genoemde instituten verplichte antipestmethode te weigeren.
 
Stel dat de staatssecretaris van Onderwijs, de Kinderombudsman en/of het Nederlands Jeugd Instituut protestant-christelijke en katholieke scholen verplichten een, welke  antipestmethode dan ook, toe te gaan passen die niet uitgaat van het Evangelische zondebokmechanisme en openbare scholen van het wetenschappelijke zondebokfenomeen, dan hebben deze scholen het recht en de plicht om, op grond van Artikel 23 van de Grondwet, deze methode te weigeren.   
(figuur 10)
 
En dan komt het derde interessante voor niet alleen protestant-christelijke en katholieke scholen, maar nu ook voor openbare scholen (figuur 10).
Stel dat de staatssecretaris van Onderwijs, de Kinderombudsman en/of het Nederlands Jeugd Instituut protestant-christelijke en katholieke scholen verplichten een, welke  antipestmethode dan ook, toe te gaan passen die voor de protestant-christelijke en katholieke scholen niet uitgaat van het Evangelische zondebokmechanisme en voor openbare scholen niet uitgaat van het wetenschappelijke zondebokfenomeen, dan hebben deze scholen het recht en de plicht om, op grond van Artikel 23 van de Grondwet, deze methode te weigeren.   
 
We moeten het dan echter wel opnemen in ons schoolbeleid, in het beleidsplan psychosociale veiligheid (rubriek Gratis, Beleidsplan psychosociale veiligheid basisonderwijs, Beleidsplan psychosociale veiligheid voortgezet onderwijs/roc).
 
Aspecten van pedagogisch handelen, volgens Hermans
1 Normen- en waardenontwikkeling
2 Het op school vigerende mens- en maatschappijbeeld, dat tot uiting komt in concrete gedragingen én in het schoolbeleid
3 Het geven van verantwoordelijkheid aan leerlingen
(figuur 11)
 
Keren we terug naar de bovengenoemde drie voorbeelden van het pedagogisch handelen van de leerkracht en van de school, volgens J.J. Hermans, dan hebben we hiermee antwoord gegeven op de waarde veiligheid (dik gedrukt) en op het – eveneens dik gedrukte - op school vigerende mens- en maatschappijbeeld, tot uiting komend in concrete gedragingen én het schoolbeleid (figuur 11).
 
Blijven nog over:
- Normen
- Aan leerlingen verantwoordelijkheid geven 
(figuur 12)
 
Hiervoor gebruik ik het door mij ontwikkelde model met behulp waarvan elke vorm van geweld, ongewenste omgangsvormen of pesten, kan worden verklaard (figuur 13: Partijen en mechanismen bij geweld). Dit model heb ik geplaatst in het artikel De vijfsporenaanpak van pesten, zoals opgenomen in de rubriek Gratis (vijfde kolom verticaal op de homepage van www.pesten.net), waarvan het kan worden uitgeprint.
 
De toelichting op het model is als volgt.
Wanneer in een groep wordt gepest is er sprake van een, twee of drie pesters, vaak niet meer. Er is dan ook sprake van een zwijgende middengroep, bestaande uit vijf subgroepen. De eerste subgroep bestaat uit leerlingen die met de pester mee pesten, omdat ze bang voor hem of haar zijn. De tweede subgroep: leerlingen die mee pesten uit berekening. De derde: leerlingen die niet mee pesten, maar ook geen duidelijk stelling nemen. De vierde: de enkeling die niet ziet dat er in de klas of groep wordt gepest. En de vijfde subgroep, ook vaak een enkeling, met een hoge status in de klas, die het af en toe voor het slachtoffer opneemt. De pijl van boven naar beneden is de leerkracht. De pijl van onder naar boven: de ouder. En de kruisjes aan de onderkant: een of meer slachtoffers.
 
Vijfsporenaanpak van pesten, geweld, ongewenste omgangsvormen
1 Mobiliseren van de zwijgende middengroep
2 Hulp aan de pester
3 Professionaliseren van leerkrachten
4 Professionaliseren van ouders
5 Hulp aan het slachtoffer
(figuur 14)
 
Uit dit onderscheid vloeit logischerwijs voort dat voor een goede aanpak van het probleem een vijfsporenaanpak gewenst is (figuur 14). Als volgt:
1 Mobiliseren van de zwijgende middengroep.
2 Hulp aan de pester.
3 Professionaliseren van leerkrachten.
4 Professionaliseren van ouders.
5 Hulp aan het slachtoffer.
 
Om leerlingen verantwoordelijkheid te geven, het derde aspect van de taak van elke leerkracht volgens J.J. Hermans én de zwijgende middengroep te mobiliseren, het eerste spoor van mijn vijfsporenaanpak van pesten, kan de volgende methodiek worden toegepast:
 
Mobiliseren van de zwijgende middengroep
- Uitleg model
- Opdracht individueel regels te maken (10-15’)
- Individuele toelichting belangrijkste regel
- Inleveren bij leerkracht
- Selectie door leerkracht
- Toevoeging door school van een of meer regels
- Uiteindelijke regels voor het schooljaar
- Wekelijkse evaluatie
- Eventueel maatregelen (hulp aan de pester)
(figuur 15)

Het model  Partijen en mechanismen bij geweld (figuur 13) wordt aan leerlingen van groepen 4-8 basisonderwijs, klassen 1-6 voortgezet onderwijs en klassen 1-4 middelbaar beroepsonderwijs vertoond en uitgelegd, waarna ze de opdracht krijgen ieder voor zich omgangsregels op te schrijven. Na ongeveer 15-20 minuten krijgen de leerlingen/studenten één voor één de mogelijkheid zijn of haar belangrijkste regel te noemen. Als iedereen dit heeft gedaan, schrijven zij hun naam op het vel, geven ze met een kruisje aan wat voor hen de belangrijkste regel is, leveren het bij de leerkracht of mentor in die er vier, vijf, zes regels van maakt, er een of twee eigen regels aan toevoegt, waarna het de omgangsregels voor het hele komende schooljaar worden. 
Omdat normen- en waardenontwikkeling een voortdurende ontwikkeling is, worden de regels elke week kort aan de orde gesteld, gevraagd of iedereen zich er nog aan houdt, gaat de leerkracht of mentor, als er niets wordt gemeld, over tot de orde van de dag. Wanneer duidelijk wordt dat de regels voortdurend worden overtreden bespreekt de groep met elkaar op welke wijze dit probleem zal worden opgelost. Als echter blijkt dat een of meer leerlingen zich niet kunnen houden aan de met elkaar afgesproken regels, start de leerkracht de hulp aan de pester, het tweede door iedere geleding aanvaarde spoor. 

Moreel gedrag en de ontwikkeling ervan
Normen en waarden én regels hebben alles met elkaar te maken. Het essentiële kenmerk van moreel gedrag is namelijk: ‘De neiging een systeem van regels te aanvaarden en te volgen, die gewoonlijk interpersoonlijk gedrag reguleren’.
(figuur 16)

Door leerlingen regels met elkaar te laten maken en (de handhaving van) de regels elke week kort met elkaar en de leerkracht of mentor te bespreken, is de school bezig met (de ontwikkeling van) moreel gedrag (figuur 16). Immers, volgens Piaget hebben normen en waarden of moreel gedrag en regels alles met elkaar te maken. Volgens hem is namelijk het essentiële kenmerk van moreel gedrag: ’de neiging om een systeem van regels te aanvaarden en te volgen die gewoonlijk interpersoonlijk gedrag reguleren’. 

1 Veiligheid is een belangrijke waarde. De norm is dan dat bepaalde, met elkaar afgesproken of af te spreken gedragingen, niet meer kúnnen: ontwikkeling van normen
3 Aan leerlingen verantwoordelijkheid geven: leerlingen verantwoordelijk maken voor elkaars psychosociale veiligheid
(figuur 17)

Door leerlingen de mogelijkheid te geven zelf en samen regels te maken, ze zelf en samen te controleren en te bespreken, zijn ze bezig met (de ontwikkeling van) moreel gedrag en zijn we tegemoet gekomen aan de laatste twee eisen van J.J. Hermans inzake het pedagogisch handelen van de leerkracht en van de school, namelijk het besteden van aandacht aan normen en waarden (ontwikkeling) en het geven van verantwoordelijkheid aan de leerlingen (figuur 17).

Een bijkomend voordeel van een dergelijke aanpak is wederom het argument dat een door de staatssecretaris, Kinderombudsman of Nederlands Jeugd Instituut verplichte antipestmethode die regels aan leerlingen voorschrijft, door niet alleen protestant-christelijke en katholieke, maar ook openbare scholen, kan worden geweigerd, wederom op grond van artikel 23, het vrijheid van godsdienst- of onderwijsartikel,  en hebben we tevens als volgt antwoord gegeven op de congrestitel (figuur 18):

Pedagogisch leiderschap: van controle (door staatssecretaris,  Kinderombudsman en Nederlands Jeugd Instituut uit onmacht en gebrek aan kennis over reeds aanwezige) gedegen evangelische visie en wetenschappelijke kennis van schoolleiders, die dagelijks zowel  impliciet als expliciet bezig met het creëren van een onderwijsklimaat waarin leerlingen én leerkrachten groeien en ontwikkelen, voor welke activiteit ik in ieder geval geen adviezen of hulp van staatsecretaris, Kinderombudsman of Nederlands Jeugd Instituut nodig heb of zinvol vind.

Stellingen
- Een antipestprogramma dat niet uitgaat van het Evangelische zondebokmechanisme kan door protestant-christelijke  en katholieke scholen, op grond van artikel 23 van de Grondwet, worden geweigerd.
- Een antipestprogramma dat niet uitgaat van het wetenschappelijke zondebokfenomeen kan door openbare scholen, op grond van artikel 23 van de Grondwet, worden geweigerd.
- Een antipestprogramma dat aan leerlingen regels om pesten te doen stoppen oplegt en daarmee niet tegemoet komt aan een goede normen- en waardenontwikkeling van de leerlingen, kan door protestant-christelijke, katholieke en openbare scholen, op grond van artikel 23 van de Grondwet, worden geweigerd.
- Scholen zijn perfect in staat om, met behulp van een conceptbeleidsplan psychosociale veiligheid en concrete producten, een schooleigen beleidsplan psychosociale veiligheid te maken. Hiervoor hebben zij geen door een staatssecretaris van OCW, een Kinderombudsman of een Nederlands Jeugd Instituut goedgekeurd antipestprogramma nodig.
- in plaats van scholen te verplichten een door de staatssecretaris, Kinderombudsman of Nederlands Jeugd Instituut goedgekeurd antipestprogramma toe te gaan passen, is er een eenvouig raamwerk, met daarbij behorende producten, voorhanden met behulp waarvan scholen voor basis- en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, een schooleigen beleidsplan psychosociale veiligheid kunnen samenstellen.
 
c Bob van der Meer
Europees Expertisecentrum voor Veiligheid (E2V2)
Rosmalen, 20-06-2013
073-5217753/06-20406009
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
www.pesten.net
 
 
© 2018 Bob van der Meer