Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

APS | Afdrukken |  E-mail
Van 1982 tot en met 1995 was ik als onderwijskundig medewerker verbonden aan het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) in Den Bosch en stapte ik in 1995 over naar het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in Utrecht. Wat ik toen niet wist was dat door mijn overgang het APS de aan mijn naam verbonden subsidiegelden van het ministerie van OCW voor veiligheid, geweld en pesten in de schoot kreeg geworpen. Het totale bedrag wordt door mij geschat op ongeveer 25 miljoen euro. Je zou dus kunnen stellen dat ik, door mijn overgang naar het APS, tot in lengte van dagen mijn salaris en dat van vele anderen voor het APS had opgebracht. 
Onlangs werd ik via twee brieven op de hoogte gesteld van het feit dat het APS, met uitzondering van de ICT-afdeling, was opgeheven. De vraag is hoe heeft dit kunnen gebeuren. 
In onderstaande briefwisseling mogelijke antwoorden.

Eerst de brief die mijn toenmalige directeur, drs. G. van den Hoven, mij schreef naar aanleiding van mijn vrijwillig ontslag bij het APS, waarna mijn antwoord, waarvan ik aan het einde van mijn brief, míjn eisen – voor de overzichtelijkheid - heb weggelaten.

Brief van G. van den Hoven

APS: Investeren in krachtig leren
De heer A.C. van der Meer
Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen 

Onderwerp:                             Kenmerk:                      Datum:
Aanstaande FPU                     gho/brf                           22 oktober 2003

Geachte Heer Van der Meer,
De overeengekomen datum, 1 januari 2004, waarop u ontslag neemt en per dezelfde datum gebruik zult maken van de FPU-regeling, nadert met rasse schreden. Reden om tot een finale afwikkeling van zaken te komen tussen het APS en u. Wij bespraken deze kwestie op 18 juni 2002, 6 februari en 6 maart 2003.

Ik heb behoefte aan een korte terugblik voordat ik de exacte afronding van de arbeidsrelatie tussen u en het APS in een zakelijk arrangement weergeef.
Vanaf uw overstap van het KPC naar het APS heb ik in vele gesprekken steeds mijn waardering voor uw persoonlijke betrokkenheid bij uw werk uitgesproken. U en ik delen, als ‘oud schoolmeesters’, de opvatting dat jongeren in een veilig schoolklimaat moeten kunnen leren en opgroeien. Door de jaren heen hebben wij, vanuit verschillende posities, ons ingezet om dat te verwezenlijken. Wij hebben daarbij steeds benadrukt dat de overheid (politiek en ambtenaren) haar verantwoordelijkheden zouden moeten nemen en bij verschillende gelegenheden moeten constateren dat opportunisme het won van consistent voeren van beleid. Dit heeft het voor u (en in zekere mate ook het APS) niet eenvoudig gemaakt om op de juiste wijze inhoud en vorm te geven aan allerlei werkzaamheden gericht op het bestrijden en voorkomen van geweld; af en toe overheerste onbegrip en het gevoel een roepende in de woestijn te zijn.
Met het wegvallen van subsidies om in dit domein actief te zijn en het gelijktijdig reduceren van de instellingssubsidies van het APS werden we gedwongen om steeds bedrijfsmatiger te opereren. Dit heeft in de afgelopen jaren voor ‘targetdruk’ gezorgd, die vaak niet leidde tot het realiseren van persoonlijke targets, ondanks vele initiatieven van uw kant. In de werkelijkheid van een commerciële bedrijfsvoering zijn de persoonlijke verplichtingen aan een medewerker (onkostenvergoedingen, salaris etc.) een onvermijdbare kostenpost, waar tegenover pas dekking staat als een subsidiegever subsidie verleent of een klant zijn rekening betaalt.
In de afgelopen jaren hebben wij moeten constateren dat meerde beloftevolle opties niet hebben geleid tot feitelijke subsidie of echte opdrachten. Dit is wat we moeten constateren. Vanuit die realiteit hebben we het gesprek gevoerd rond uw vertrek van het APS en de overgang naar het FPU.
Per 1 januari 2004 bent u ‘FPU-er’. Om de ‘losse einden’ tussen u en het APS goed af te hechten, heb ik er behoefte aan een aantal kwesties adequaat af te spreken: 
- u neemt per 1 januari vrijwillig ontslag en doet een beroep op de FPU-regeling;
- het negatief saldo direct productieve dagen (plus minus 250) wordt ten laste van het APS gebracht;
- inkomsten ut werkzaamheden die zijn aangevangen tijdens de periode van het dienstverband met het APS en waarvoor inkomsten worden verworven na de datum van 1 januari 2004 komen het APS toe;
- de inkomsten uit verkoop van publicaties/producten van uw hand komen eveneens het APS ten goede. Uiteraard berust het geestelijk eigendomsrecht bij u, inclusief de daarop van toepassing zijnde bepalingen conform het Nederlands recht;
- u draagt zorg dat de nog openstaande vordering op Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving (43.494,50 euro) alsnog aan het APS betaald wordt;
- de bedragen uit de ‘profipot’ (3.163,12 euro) en acquisitiepremie (859,63 euro) worden aan u overgemaakt ter gedeelde dekking van uitgaven door u gedaan in het kader van een productie van Pesten op het werk.
Ik ga ervan uit dat u en ik hiermee een adequate afwikkeling van zaken zijn overeengekomen.
Met vriendelijke groet,
Drs. Gerard H. van den Hoven
Algemeen directeur
tel.        +31(0)30 2856886
fax        +31(0)30 2856890
e-mail   Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken


Mijn antwoord
Mijn antwoord op de brief luidde als volgt:

“Beste Gerard,
01 De brief doet het voorkomen alsof ik voor het APS niets bereikt heb. Dit is onjuist. Immers, door mijn overgang van het KPC naar het APS bracht ik de campagne De veilige school en de daaropvolgende projecten binnen. In mijn brief, d.d. 16-05-2003, aan André van der Lelij (hoofd FA, toevoeging bvdm), is aangegeven wat dit voor de werkgelegenheid van het APS heeft betekend. Met behulp van de door het ministerie van OCenW hieraan verbonden gelden zijn veel APS-ers aan het werk gehouden (Anke Visser, Frits Prior, Ina Kallenbach, Jaap Rosier, Wim Alexander, Giti Ban, Christel van der Cruijsen en Agnes Jongerius en is zelfs een nieuwe medewerkster, Saskia van der Gaag, voor een nieuwe website in dienst genomen, terwijl mijn – inmiddels voor de vijf miljoenste keer gehitte – website www.pesten.net voor het APS gewoon beschikbaar was.   

02 Van de kant van het APS is nooit enige steun gegeven om mijn target te kunnen halen. Om toch inkomsten binnen te halen, heb ik eigen gelden moeten inbrengen/ingebracht voor het maken van de brochure ‘Een veilige school, overzicht van activiteiten en publicaties’, waarin ik een overzicht schets van mijn ondersteuningsactiviteiten en publicaties; voor het maken van een videoband over pesten op het werk en voor het uitbrengen van door mij noodzakelijk geachte andere publicaties. De door mij hiervoor ingebrachte bedragen bestonden uit: een lening (persoonlijk krediet), groot f 15 000,--; royalties van publicaties; inkomsten uit het schrijven van artikelen en uit Edukern-acquisitiepremies, welke bedragen ik overboekte op mijn APS/Edukern begrotingsnummer 9692.130 en daarna aanwendde voor het betalen van rekeningen en voor het behalen van mijn target.
03 In mijn Persoonlijke Plannen van Inzet (PPI’s) en Persoonlijk Management Contracten (PMC’s) heb ik vanaf 1995/1996 alle mogelijke ontwikkelingen geschetst, waarop verder niet werd ingegaan. Toen dan ook in 1997 Rob Limper, voorzitter van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs, meedeelde dat er op mijn expertise door de ouderverenigingen geen beroep meer zou worden gedaan omdat ik te duur was; ik er achter kwam dat al mijn subsidieaanvragen bij het ministerie van OCenW afketsten; ik bij het project De veilige school noch bij enig ander project werd ingeschakeld en ik langzamerhand het vermoeden kreeg dat ik ‘kaltgestellt’ werd, heb ik een aantal initiatieven ontplooid die in de eerste plaats leidden tot subsidies uit het bedrijfsleven en via stichtingen, ter waarde van plus minus 150 000,-- euro en in de tweede plaats tot een aantal projecten, waarvoor inmiddels  subsidie is aangevraagd. Nu beslag proberen te leggen op de inkomsten van deze nieuwe projecten is niet alleen te laat, maar ook een beetje laf. Immers, nooit enige medewerking gegeven en eigenlijk tegenwerking ontvangen, maar er nu wel als de kippen bij zijn om te oogsten.           

04 Een van deze projecten was het pilotproject Normen en waarden, een concrete aanpak dat met subsidie van de Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving (SASS), ter waarde van 45 000,-- euro, op twee scholen voor basisonderwijs in Rotterdam-Noord, werd uitgevoerd. Op grond van de goede resultaten van dit pilotproject verzocht het bestuur van de Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving aan Ton Mooij (bedoeld wordt dr. Ton Mooij, senior onderzoeker Radboud Universiteit/Instituut voor Toegepaste Sociologie en later hoogleraar Open Universiteit Heerlen, toevoeging bvdm),  en mij een voorstel te maken over een landelijk onderzoek naar de effectiviteit van mijn vijfsporenaanpak van pesten.
Om dit voorstel te bespreken werd een vergadering belegd tussen de twee bestuursleden van de stichting, Rob Kars, directeur Achmea Holding en drs. Jannie van den Hul-Omta, bestuurslid van de stichting, voorzitter van de Besturenraad en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; dr. Ton Mooij en zijn directeur; jij en ik.
Op het laatste moment meldde je je, met onduidelijke redenen, af. Ondanks deze afzegging werd de vergadering toch gehouden, waarna door Rob Kars en Jannie van den Hul-Omta met jou een apart overleg werd gevoerd. Ondanks het feit dat ik, als APS-medewerker, in het eerste onderzoeksvoorstel voor plus minus 70 000,-- euro was opgevoerd, kwam je met een totaal ander voorstel op de proppen, namelijk het ontwikkelen en uitvoeren van een sociale vaardighedentraining á raison van 10 miljoen euro, te ontwikkelen en te geven door Frits Prior, APS-medewerker, en Guido Walraven, medewerker van onderzoeksbureau Sardes, daarmee volledig voorbijgaand aan mijn initiatief.
Aangezien Jannie van den Hul-Omta van plan was het onderzoek toch uit te laten voeren, nam zij daartoe contact op met Maria van der Hoeven.
Vraag is nu of het onderzoek het wint dan wel de sociale vaardighedentraining. Als het het onderzoek wordt, moeten er geen tranen met tuiten gehuild worden en geen claim gelegd op de uitvoeringsgelden. Het APS had al lang alle mogelijke subsidiegelden kunnen hebben, als het APS gewoon had meegewerkt. Als het de sociale vaardighedentraining wordt, heb je via mij dit project gekregen; kan dat project op mijn conto worden geschreven en heb ik mijn target voor al mijn dienstjaren en die van vele anderen op het APS tot ver na mijn en hun pensionering behaald.

05 Een tweede project was de vervaardiging van de cd-roms met de daarbij behorende brochures. Hiervoor kreeg ik subsidie van de Unique Child Foundation en besteedde ik SASS-gelden voor de vervolmaking ervan. In de eindevaluatie van zowel het SASS-pilotproject als het Unique Child Foundation-project heb ik melding gemaakt van het feit dat ik tijd/gelden uit deze projecten heb gebruikt. Aangezien het APS aan de totstandkoming van deze projecten niets heeft bijgedragen, berusten de rechten bij mij en bij de subsidiegevers, de Unique Child Foundation en de SASS. De claim die het APS nu legt op voornoemde producten berust dus nergens op.

 06 Terwijl ik door de buitenwereld, bij monde van Dick de Boer, bestuurslid van het APS, en door de media (Volkskrant-interview d.d. 29-04-2002) gezien word als deskundige als het gaat om de aanpak van geweld op school, heeft het APS niets gedaan om mijn werk op dit gebied mogelijk te maken. Een verzoek aan Ingrid Verheggen, directeur voortgezet onderwijs, om door het APS voor directieleden basis- en voortgezet onderwijs een studiedagdeel te doen organiseren rond het uitkomen van mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak, werd door haar welwillend overwogen en binnen het directieteam van het APS aan de orde gebracht, maar tenslotte door het directieteam, bij monde van Ingrid Verheggen, afgedaan met het argument dat daar geen geld voor was.

07 Terwijl de buitenwereld mij beschouwde als deskundig op de aanpak van geweld, werd ik bij de projecten, die het APS via mij had verkregen, niet ingeschakeld, alhoewel daartoe door mij pogingen zijn ondernomen. De vraag is dan welke persoon hiervoor verantwoordelijk kan worden gesteld. Is dat een ambtenaar binnen het ministerie van OCenW, gedacht kan worden aan Cees Fuykschot, die op verzoek van een nog hogere ambtenaar, gedacht kan worden aan Andries Stekelenburg, de/een opdracht daartoe heeft gegeven; is dit een ambtenaar, die, op grond van welke oorzaak dan ook, hiertoe zelfstandig heeft besloten; is dit de persoon van Frits Prior die dit uit jaloezie/wraak heeft besloten; is het jouw opportunisme, waaronder wordt verstaan dat de subsidiegelden in eerste instantie via mij, of liever gezegd, samen met mij, waren binnengekomen, maar daarna via een ander, Frits Prior, die als eis stelde dat ik niet zou worden ingeschakeld en je dit inwilligde, waardoor ik niet meer interessant was en dientengevolge kon of moest worden afgevoerd; is het een gebrek aan daadkracht van jouw kant geweest om kool en geit te sparen; is er wél geld door het ministerie van OCenW voor mijn activiteiten aan het APS gegeven, maar nooit aan mij meegedeeld of aan een ander gegeven of een combinatie van twee of meer factoren?
Dit is uiterst interessante informatie, waarover niet alleen ik graag wat meer zou willen weten.

08 Toen ik in een functioneringsgesprek (rond 1996, toevoeging bvdm) ventileerde dat pesten op het werk een niche zou kunnen worden, kreeg ik als antwoord dat dit geen goed onderwerp was voor het APS of voor Edukern (commerciële organisatie van het APS, toevoeging bvdm). Omdat ik het daarmee oneens was, heb ik in mijn vrije tijd er in korte tijd een publicatie over geschreven en een videoband met eigen geld uitgebracht. Inmiddels zijn er al meer dan 200 exemplaren (á raison van fl 125,-- per stuk, toevoeging bvdm) van de videoband verkocht, waardoor de band zijn voorinvestering – en meer dan dat – heeft terugverdiend; heb ik inmiddels meer dan dertig interviews over dit onderwerp aan diverse media gegeven; word ik op dit moment door Dokument van de NCRV gevolgd op mijn werk binnen bedrijven op dit probleem; mag ik als enige deskundige op dit onderwerp op een expertmeeting, op 28 november 2003, georganiseerd door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een inleiding over pesten op het werk verzorgen en heb ik voor het multimediale pakket Pesten op het werk de prestigieuze EU-Comenius Förderpreis 2001 gewonnen. Deze informatie heb ik jou en Arno (Maarschalkerweerd, pr-functionaris van het APS, toevoeging bvdm) gemaild, waarna hierover verder niets meer is vernomen.

Door aldus te handelen heeft het APS een groot aantal ontwikkelingen gemist:
- Het APS had een instituut kunnen zijn dat een volwaardige onderzoeksafdeling had kunnen hebben.
- Het APS had de beschikking kunnen hebben over een perfect werkende website, namelijk de website www.pesten.net, welke site onlangs in mei 2003 haar vijf miljoenste hit ontving.
- Het APS had een kenniscentrum kunnen zijn van geweld, in al zijn verschijningsvormen: geweld op school, binnen het gezin en op het werk, in het uitgaansleven, de media en in de sport.
- Het APS had als niche ‘pesten op het werk’ kunnen hebben, met alle mogelijke curatieve en preventieve ondersteuningsactiviteiten naar organisaties en bedrijven toe.
- Het APS had een geïntegreerd curatief en preventief aanbod kunnen hebben op het gebied van pesten tussen leerlingen onderling.
- Het APS had een geïntegreerd curatief en preventief aanbod kunnen hebben op het gebied van geweld/veiligheid tussen de verschillende andere schoolgeledingen.
- Het APS had een geïntegreerd aanbod kunnen hebben op de twee taken van de leerkracht/school op het gebied van de leefwereld van de leerlingen: de docent als pedagoog en als groepswerker, een volgende niche.
- Het APS had onderzoek kunnen initiëren en uitvoeren op de effectiviteit van de vijfsporenaanpak van pesten en in dit kader alle mogelijke verdere preventieve ondersteuningsactiviteiten in handen gehad, zoals het hele gebied van sociale vaardighedentrainingen.
- Het APS had alle mogelijke ontwikkelactiviteiten op het onderwerp pesten tussen leerlingen kunnen uitvoeren.
- Het APS had veel pr kunnen verkrijgen middels voornoemde onderwerpen.
- Het APS had kunnen samenwerken met het Europees Expertisecentrum voor Veiligheid.
- Het APS had kunnen samenwerken met een keur van grote bedrijven, die, in het kader van het onderwerp ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’, het APS als ideële  organisatie zouden hebben gesubsidieerd, zoals KPMG, PricewaterhouseCoopers, Achmea en Rabobank Foundation.

In plaats daarvan wordt mij verweten, als zou ik een negatief saldo direct productieve dagen van 250 uur aan het APS hebben, gezien het bovenstaande, op zijn zachtst gezegd, een verkeerde/onjuiste voorstelling van zaken.

Nooit werd  mij verweten dat ik mijn target niet haalde. Nooit ben ik hiervan schriftelijk of mondeling op de hoogte gesteld. Echter, toen mij het aanbod werd gedaan om in dienst van het APS te blijven, waarbij een beroep werd gedaan op de FPU en ik dit weigerde, toen pas werd mij een negatief saldo direct productieve dagen (plus minus 250) in de schoenen geschoven.

Zoals uit 01 blijkt, heb ik voor het APS de campagne De veilige school en de daaropvolgende projecten binnengehaald en heeft het aan factoren binnen het APS gelegen dat het APS een groot aantal ontwikkelingen gemist. Deze missers kunnen mij niet in de schoenen worden geschoven. Het APS heeft, om wat voor redenen dan ook, op het verkeerde paard gewed en probeert nu – over mijn rug – de immense schade te herstellen”.   

Bob van der Meer
19-11-2003

Commentaar 1
In 2000 lag er dus een voorstel op tafel om mijn vijfsporenaanpak van pesten wetenschappelijk te onderzoeken. Vanwege opportunistische redenen van mijn directeur van het APS is het beschikbare geld voor het verrichten van onderzoek naar een goede aanpak van pesten aangewend voor het samenstellen van een sociale vaardighedentraining, genaamd C&SCO. Op dat moment was er al een woud van sociale vaardighedentrainingen, antipestprojecten en sociale vaardighedentrainingen voorhanden die ook beweerden pesten aan te pakken en was er derhalve geen enkele behoefte aan welke sociale vaardighedentraining dan ook. Wel aan onderzoek. Bovendien kregen twee personen de opdracht om een dergelijke training te ontwikkelen, twee personen die geen enkele expertise op dit gebied hadden (ontwikkeld). Hun namen laat ik even onvermeld. 
Vanaf 2002 of 2003 hadden we derhalve de beschikking kunnen hebben over onderzoeksresultaten naar mijn vijfsporenaanpak van pesten en dito adviezen en hadden we de gevolgen van pesten voor leerlingen kunnen stoppen. Deze gevolgen zijn: faalangst, depressie, automutilatie, eetstoornissen, overwegingen en/of pogingen tot zelfdoding. Door om opportunistische redenen niet te kiezen voor onderzoek, onderzoeksresultaten en oplossingen, kan men mijn directeur verantwoordelijk stellen voor eerder genoemde gevolgen, reden waarom de Tweede Kamer een onderzoek, enquête of ondervraging dient te starten naar de besteding van de ook eerder genoemde 25 miljoen euro die het ministerie van OCW aan de aanpak van onder andere pesten vanaf 1995 heeft besteed.  

Commentaar 2
In 1993 verscheen, in opdracht van het ministerie van OCW, het boek Machtsmisbruik op school . Hierin onderscheidde ik zes groepen, tussen welke groepen machtsmisbruik, geweld, ongewenste omgangsvormen konden optreden, namelijk tussen leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, tussen school en ouders en tussen ouders en school. Mogelijke ‘oplossingen’ voor alle mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen de bovengenoemde groeperingen waren: het aanstellen van een vertrouwenspersoon, het instellen van een klachtencommissie en het vaststellen van een klachtenprocedure. In 1993 waren derhalve, naar later zou blijken, al voorlopige oplossingen bedacht voor ook de ongewenste omgangsvormen tussen personeelsleden van scholen, waaronder pesten. Langzamerhand werd echter duidelijk dat niet alle vertrouwenspersonen even goed werden opgeleid en niet altijd even onafhankelijk waren, de klachtencommissies eveneens niet altijd even goed waren opgeleid en ook niet altijd even onafhankelijk waren en sommige klachtenprocedures zodanig werden geconstrueerd dat klagers niet werden beschermd, om welke redenen ik deze schijnoplossingen verliet en een anonieme enquête ontwikkelde. Deze methode beschreef ik in mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak, dat in 2000 werd uitgebracht. Vanaf 2000 derhalve beschikten we over een methode om pesten tussen docenten te signaleren, te analyseren, aan te pakken en op te lossen en had de zelfmoord vijftien jaar later van in ieder geval een docente, Caroline Dijkman, voorkomen kunnen worden. 

 
© 2017 Bob van der Meer