Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

Samenvatting 3A-project | Afdrukken |  E-mail
Het 3A-project
Samenvatting

Nadat ik in 1978 mijn kandidaats Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam had behaald, vroeg ik een gesprek aan met dr. Hamaker, toenmalig studiecoördinator.
Naast mijn studie Psychologie werkte ik ook als docent Lichamelijke Opvoeding aan de Prinses Ireneschool, school voor lager en middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs in Amsterdam West. 
De directrice van deze school, mevrouw B.J. van Riezen, had mij namelijk het volgende probleem voorgelegd. Van de vijf tweede klassen waren 18 leerlingen blijven zitten. Om dit probleem op te lossen waren er vier mogelijkheden:
1 De leerlingen evenredig verdelen over de nieuw te vormen tweede klassen.
Voor deze mogelijkheid werd niet gekozen, omdat zittenblijvers in een klas vaak aanleiding gaven tot problemen in de klas.
2 De achttien leerlingen in één aparte tweede klas plaatsen. 
Het nadeel van deze oplossing was dat deze klas een verzameling zou worden van slecht- of niet-gemotiveerde leerlingen, aan wie het lesgeven zo niet onmogelijk, dan toch wel zeer moeilijk zou worden.
3 De achttien leerlingen bevorderen, hen evenredig verdelen over de nieuw te vormen derde klassen en aan deze leerlingen extra aandacht geven. 
De nadelen van deze oplossing waren echter drieledig: wanneer de normaal bevorderde leerlingen erachter zouden komen dat een aantal klasgenoten in feite was blijven zitten, maar wel bevorderd, zouden ze dit als een onrechtvaardigheid opvatten en daardoor minder gemotiveerd zijn om zelf nog hard te werken; docenten zouden het misschien ook als een onrechtvaardigheid opvatten dat zij aan in feite gedoubleerde leerlingen extra tijd en aandacht zouden moeten besteden; de mogelijkheid was niet uitgesloten dat deze achttien leerlingen ook binnen de derde klassen problemen zouden veroorzaken, al was het alleen maar door hun – in rapportcijfers uitgedrukte – kennisachterstand.
4 Daarom was de keuze gevallen op de vierde optie: alle achttien leerlingen bevorderen naar het vierde leerjaar, in één klas plaatsen en hen zodanig begeleiden, dat zij aan het einde van het schooljaar bevorderd zouden kunnen worden naar de vierde klas. Aldus werd besloten.
Met als uitgangspunt de resultaten van het Hawthorne-experiment, dat had aangetoond dat het geven van aandacht prestatieverhogend werkte, werd aan deze leerlingen met behulp van de drie volgende activiteiten aandacht gegeven:
1 Een één-wekelijks ingeroosterd contact van de mentor met de klas: de begeleidingsles.
2 Een één-wekelijks telefonisch contact van de mentor met de ouders op het einde van iedere schoolweek.
3 Huisbezoek.

Het doel van het begeleidingsproject was dus om door middel van aandacht de motivatie van deze groep leerlingen zodanig te bevorderen dat zij aan het einde van het schooljaar bevorderd zouden kunnen worden naar de vierde klas.
Omdat motivatie een abstract begrip is en het toch belangrijk was om te kijken of een dergelijke maatregel enig nuttig effect zou hebben, werd gekozen voor eenvoudige operationalisaties van motivatie: 
- Het cijfergemiddelde van het eindrapport.
- Het aantal (on)voldoenden van het eindrapport.
- Het gemiddeld aantal verzuimde lessen.
Deze variabelen werden niet alleen vergeleken voor de twee leerjaren 1977/1978 en 1978/1979 van deze achttien leerlingen, maar ook met die van een controlegroep: de vijftien geselecteerde leerlingen uit de at random getrokken klas 3D, aan wie deze aandacht niet gegeven werd. Het selectiecriterium ten aanzien van deze vijftien leerlingen was het feit of zij vanaf het begin van het schooljaar 1977/1978 tot aan het einde van het schooljaar 1978/1979 ononderbroken deel uitgemaakt hadden van de 2D/3D-klas.
Het experimentele design werd derhalve het prestest-posttest control group design.

In het gesprek met Hamaker legde ik dit plan voor, om van hem direct te horen te krijgen dat studenten Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam niet opgeleid werden om dit soort concrete problemen op te lossen.
Dezelfde dag schreef ik mij daarom uit als student Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, voerde mijn begeleidingsproject uit, verwerkte de gegevens, ontwikkelde een motivatietheorie, meldde mij in 1981 als avondstudent Onderwijskunde aan bij de Rijks Universiteit Leiden en bracht het onderzoek en de resultaten ervan in bij Piet van de Broek, hoogleraar Psychologie aan deze universiteit en mijn scriptiebegeleider. Voor hem had ik mij ingeschreven als student Onderwijskunde aan deze universiteit. In een interview in de Volkskrant had hij zich namelijk openlijk uitgesproken om leerlingen uit het lager beroepsonderwijs te respecteren op hun manuele vaardigheden en hen om die reden niet voortdurend lastig te vallen met voor hen oninteressante zaken en vakken.  
Hij vroeg mij er een artikel van te maken, dat hij zou indienen bij het blad Pedagogisch Tijdschrift Forum voor Opvoedkunde, van welk blad hij redactielid was. Het artikel werd geplaatst en ik studeerde niet gewoon, niet met lof, maar met genoegen af.
Hieronder het bewuste artikel. 
Als men weer teruggaat naar de homepage en klikt op 3A-project en Artikel, kan men kennis nemen van de resultaten van dit project. 


 
© 2017 Bob van der Meer