Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

Sociale veiligheid | Afdrukken |  E-mail
Rechterlijke toetsing van de sociale veiligheid op scholen: 
waar dient aan te worden getoetst?
Mr. G.S.M. Koster

Met het invoeren - per 1 augustus 2015 - van de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor de sociale veiligheid, wordt de plicht om te zorgen voor sociale veiligheid in Nederland voor het eerst vastgelegd in specifieke wetsartikelen in de onderwijswetten, waaronder art. 4c WPO en art. 3b WVO. 
In deze artikelen staat dat het bevoegd gezag daarbij in ieder geval drie verplichtingen moet nakomen, te weten: 
- De plicht om sociaal veiligheidsbeleid te voeren. 
- De plicht om een aanspreekpunt aan te stellen met betrekking tot bepaalde taken. 
Deze taken zijn het coördineren van het beleid en het fungeren als aanspreekpunt. 
- De plicht om de sociale veiligheid te monitoren. 
De plicht om te monitoren is, volgens de memorie van toelichting, bedoeld om inzicht te krijgen in de sociale veiligheid op de school. Op basis van dit veiligheidsbeeld kan de school het beleid gericht inzetten om pesten tegen te gaan.  

Concretisering van de norm waar een school aan moet voldoen ter bescherming van de belangen van de leerling, blijft in de nieuwe wetsartikelen echter achterwege. De genoemde verplichtingen omvatten immers slechts de plicht om bepaalde hulpmiddelen in te zetten, niet een norm waaraan voldaan moet worden waardoor de belangen van kinderen veilig zijn gesteld. De memorie van toelichting geeft hier ook geen duidelijkheid over. Hierdoor bestaat de kans dat een school meent voldaan te hebben aan haar zorgplicht als voldaan is aan het inzetten van de genoemde hulpmiddelen, dit ten onrechte. Opnieuw wordt het aan de scholen zelf overgelaten - en aan de rechters als het mis is gegaan - welke concrete plichten in acht genomen moeten worden. Daarmee heeft de wetgever gekozen voor een te eenvoudig wettelijk instrument. De vraag die zich opdringt is of de keuze voor eenvoudige regelgeving niet een gemiste kans is om het grote probleem dat pesten is, voor alle leerlingen/studenten op scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo’s substantieel terug te dringen. 

De zorgplicht rustend op scholen om voor sociale veiligheid te zorgen is, gelet op de bewoording van de nieuwe artikelen, een open norm. Dit betekent dat niet vaststaat welk handelen of nalaten voldoet aan de norm of juist te kort schiet. Indien niet voldaan is aan deze zorgplicht, is sprake van schending van een wettelijke plicht. Deze schending levert een onrechtmatige daad op.  
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de sociale veiligheid.  Deze verantwoordelijkheid valt uiteen in twee te onderscheiden ‘plichten’. De eerste plicht is het zorgen voor een sociaal veilig schoolklimaat. De tweede plicht is de verplichting om bepaalde hulpmiddelen in te zetten. Of een school de eerste plicht heeft geschonden, hangt af van het handelen van een school. Of (on)zorgvuldig is gehandeld, waardoor sprake is van gevaarzetting, wordt in de rechtspraak beoordeeld aan de hand van de Kelderluik-criteria.  

In het Bayar/Wijnen arrest zijn de vier Kelderluik-criteria, waaraan toegevoegd een vijfde, gebruikt voor de beantwoording van de vraag of voldaan is aan een specifieke wettelijke plicht, in casu art. 7:658 BW.   Er mag van uitgegaan worden dat de Hoge Raad die criteria ook bruikbaar vindt voor het invullen van andere wettelijke plichten, die een zorgplicht inhouden. Juridisch juist is het daarmee om de wettelijke plicht van (onder meer) artikel 4c WPO in te vullen met behulp van dezelfde vijf criteria, die in even genoemd arrest van toepassing zijn verklaard op de werkgeverszorgplicht.

De plicht om te zorgen voor sociale veiligheid - waaronder de plicht om veiligheidsbeleid te voeren, de plicht om de sociale veiligheid te monitoren en de plicht een persoon aan te stellen met betrekking tot het coördineren van het beleid en het fungeren als aanspreekpunt - is vastgelegd in de onderwijswetten.  Ik benadruk hier het voeren van het beleid, omdat het voeren van beleid verder gaat dan de plicht om beleid vast te stellen en ouders te informeren, hetgeen in onder meer artikel 13 WPO verplicht is gesteld.

Een school heeft een gedwongen (niet discretionaire) bevoegdheid met betrekking tot het inzetten van specifieke programma’s (of een combinatie van aanpakken, methoden en interventies) in het kader van het tegengaan van pesten en te zorgen voor sociale veiligheid. Het hoe met betrekking tot het inzetten van specifieke programma’s, laat de wetgever wel over aan de school om vrij te bepalen . 

Dit betekent dat de rechter niet slechts of de school een specifiek programma heeft, vol toetst, maar ook of dat goed is ingezet, dus met het gewenste effect. De vraag of het handelen in de praktijk (bijvoorbeeld het uitvoeren van het beleid) zorgvuldig, niet gevaarzettend, juist en voldoende is, waardoor voldaan is aan de plicht om te zorgen voor sociale veiligheid), dient beantwoord te worden aan de hand van de Kelderluik-criteria.  De toetsing van het handelen dient vol te gebeuren. Door het handelen te toetsen aan de hand van de Kelderluik-criteria worden alle omstandigheden van het geval beoordeeld. Indien niet alle omstandigheden van het geval beoordeeld worden, kan dit in cassatie leiden tot vernietiging van de uitspraak.  

Uit de memorie van toelichting valt af te leiden dat er sprake moet zijn van adequaat veiligheidsbeleid. Concretisering van normen of sprake is van een adequaat veiligheidsbeleid blijft in de onderwijswetten en de memorie van toelichting echter achterwege. Dit maakt dat het nog belangrijker is de gedragsnormen voor de school (en toetsnormen voor de rechter) te concretiseren.

Bron: Koster, G.S.M. (2015). De toetssteen van de zorgplicht rustend op scholen. Didam: Koster.

 
© 2017 Bob van der Meer