Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

Pesten op school: methode bvdm | Afdrukken |  E-mail
Antipestmethode bvdm
Noodzakelijke activiteiten om het pestprobleem op school goed aan te pakken
Bob van der Meer

Een goede aanpak van pesten
Ik stel drie voorwaarden aan een goede aanpak van pesten tussen leerlingen op school en geef daarbij de garantie dat, als scholen pesten op deze wijze aanpakken, ik hen kan vrijwaren tegen processen van de kant van ouders, wanneer hun kind zelf vanwege pesten een einde aan het leven heeft gemaakt (13.1), een andere leerling vanwege pesten van het leven heeft beroofd (13.2) of wanneer leerlingen door buitensluiten, een door leerlingen meest toegepaste vorm van pesten, negatieve gevolgen ondervinden (13.3). Aangetoond is namelijk dat in elke groep van dertig leerlingen gemiddeld vier tot vijf leerlingen verworpen worden. Bij de helft van hen is sprake van een negatieve zelfperceptie en een lage zelfwaardering. Deze kinderen vinden zichzelf, in vergelijking met de andere leerlingen, het meest eenzaam. Kinderen uit deze groep worden als ongelukkig beschreven en vertonen daarnaast nog een aantal andere negatieve gedragskenmerken. Tot slot zijn zij depressiever dan populaire kinderen (1). Een school die derhalve zegt pesten aan te pakken en op te lossen, maar aan het buitensluiten met genoemde gevolgen van gemiddeld vier tot vijf leerlingen in elke groep niets doet, kan dan worden aangeklaagd voor de hierboven genoemde gevolgen op de - al dan niet -  langere termijn. Aangezien geen enkele antipestmethode aan dit aspect aandacht besteedt, zou in principe elke antipestmethode op deze omissie verboden kunnen of moeten worden. Ook zouden door ouders van gepeste dan wel buitengesloten kinderen tegen scholen processen op dit onderwerp kunnen worden gestart.

De drie voorwaarden die ik stel aan een goede aanpak van pesten zijn: de aanpak is in twee opzichten integraal (2), structureel (3) en leidt tot attitudeverandering (4).
Hieronder de door mij noodzakelijk geachte activiteiten om pesten goed aan te pakken. Deze activiteiten zijn door mij in een aantal pilotprojecten  met succes toegepast. Een overzicht hiervan is opgenomen in de rubrieken Pilotprojecten en Calamiteiten van de website www.pesten.net.

1 Voorgesprek met de schoolleiding
In het gesprek wordt informatie over de aanpak gegeven, worden de doelstellingen van de aanpak verduidelijkt en verwachtingen van de school geïnventariseerd, waarna afspraken worden gemaakt en data vastgelegd. Ook vult de directie de Checklist psychosociale veiligheid in en committeert zich tot het Beleidsplan psychosociale veiligheid.
Investering: een dagdeel.

2 Workshop 1: Algemene inleiding voor het gehele team
In deze workshop wordt een verklaringsmodel van geweld ontvouwd; consequenties voor de dagelijkse onderwijspraktijk geschetst; informatieve vragen beantwoord en wordt tot slot de enquête naar mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen de verschillende schoolgeledingen afgenomen. Hierbij wordt aan het team duidelijk gemaakt, dat alles wat de teamleden in vertrouwen aan het papier toevertrouwen, zal worden geanonimiseerd en niemand erachter zal komen wie wat heeft opgeschreven.
De resultaten hierop worden in een volgend dagdeel besproken. 
Investering: een dagdeel.

3 Verwerking van de enquêteresultaten
De enquêtegegevens worden in een rapport met problemen en oplossingen verwerkt.
Investering: afhankelijk van aantal ingevulde formulieren.
 
4 Gesprek met het managementteam
Met het managementteam worden de in de enquête genoemde ongewenste omgangsvormen tussen de onderscheiden schoolgeledingen besproken en door de personeelsleden genoemde oplossingen geselecteerd, waarna een plan van aanpak naar leerkrachten, leerlingen en ouders wordt gemaakt. Het plan van aanpak wordt neergelegd in het Beleidsplan psychosociale veiligheid.
Investering: een dagdeel.

5 Workshop 2: Pesten tussen leerlingen onderling
In workshop 2 worden de enquêteresultaten uitgedeeld, waarna het onderwerp pesten tussen leerlingen wordt behandeld, oplossingen worden besproken en informatieve vragen worden beantwoord.
Investering: een dagdeel.

6 Lezing voor ouders over pesten
Voor de ouders van de school wordt een lezing verzorgd. Daarvoor zijn vier mogelijkheden. In de eerste plaats een standaardlezing van plus minus 45-50  minuten, gevolgd door een koffiepauze, gedurende welke pauze ouders en leerkrachten via potlood en papier vragen kunnen stellen, die daarna worden beantwoord en, wanneer niet beantwoord, later via mail worden beantwoord en op het beveiligde intranet van de ouders van de school geplaatst. In de tweede plaats een standaardlezing van plus minus 45-50 minuten, gevolgd door een koffiepauze en het stellen en beantwoorden van informatieve vragen na de pauze. In de derde plaats een vooraf inventarisatie van vragen over het onderwerp en het samenstellen van een power point presentatie per school. En in de vierde plaats een combinatie van een toneelgroep die het onderwerp aan de hand van een uitvoering behandelt, waarbij de inleider de rol van deskundige of commentator vervult.
Investering: een dagdeel.

7 Workshop 3: het maken en hanteren van regels
De leerkrachten van groepen 1-3 behandelen met hun leerlingen de regels en pictogrammen van de Fiep Westendorp Foundation en maken daarbij gebruik van lessuggesties, zoals neergelegd in Het Blauwe Boek, een sociale vaardigheidstraining voor kleuters en andere suggesties.
De leerkrachten van groepen 4-8 basisonderwijs en klassen 1-3 voortgezet onderwijs en mbo maken zelf regels.
Investering: een dagdeel.

8 Workshop 4: Groepsdynamische processen
In deze workshop staat de rol van de leerkracht als groepswerker centraal. Dat wil zeggen: weet hebben van wat in groepen op sociaal-emotioneel gebied speelt: rollen in een groep, oorzaken van ruzie; krijgen de leerkrachten opdrachten om hun leerlingen op een aantal variabelen te beoordelen en worden de Sociogrammethode en het Signaleringsinstrument Risicoleerlingen behandeld.
Investering: een dagdeel.

9 Afname van de Sociogrammethode  en het Signaleringsinstrument Risicoleerlingen
Bij leerlingen van groepen 1-4 wordt door de leerkracht een vereenvoudigde sociogrammethode afgenomen; bij leerlingen van groepen van 5-8 basisonderwijs en klassen 1-3 voortgezet onderwijs en mbo wordt de Sociogrammethode en het Signaleringsinstrument Risicoleerlingen afgenomen. 
Investering: een lesuur per groep of klas.

10 Verwerking van de resultaten en implicaties
De resultaten worden via de computer verwerkt, geïnterpreteerd en van adviezen voorzien.
Investering: afhankelijk van aantal ge-enquêteerde groepen.

11 Gesprek met het managementteam
De resultaten, verkregen met behulp van de Sociogrammethode en het Signaleringsinstrument Risicoleerlingen, worden met het managementteam besproken, op grond waarvan begeleidingsactiviteiten  per individuele leerling, per groep of school breed worden vastgesteld en uitgevoerd. Tot slot wordt het gehele project geëvalueerd door voor de tweede keer de Checklist psychosociale veiligheid en het Beleidsplan psychosociale veiligheid in te vullen.
Investering: een dagdeel.

12 Evaluatie
Na een jaar wordt een evaluatie uitgevoerd. Aan de personeelsleden wordt daarbij gevraagd of en in hoeverre de aanpak het probleem heeft  verminderd, tegen welke problemen zij aanlopen en over welke vaardigheden zij moeten beschikken om ook dit probleem structureel het hoofd te bieden.
Investering: een dagdeel.

13 Drie coping mechanismen van gepeste en/of buitengesloten leerlingen
Onderstaande tekst is gebaseerd op elementen uit het verklaringsmodel van geweld, zoals opgenomen in mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak (5) en op het hiervóór genoemde Signaleringsinstrument Risicoleerlingen

Inleiding
Gepeste dan wel buitengesloten leerlingen beschikken in principe over drie coping mechanismen om hiermee om te gaan. Het zijn: zelfdoding; de pester bedreigen met een mes en hem, wanneer hij niet of onjuist reageert, steken; niets doen en daarmee de vele mogelijke negatieve gevolgen van pesten aanvaarden. 
Gepeste leerlingen kunnen in de eerste plaats de door het pesten opgewekte agressie omzetten in geweld tegen zichzelf. Voorbeelden zijn: depressie, automutilatie, eetstoornissen (anorexia en bulimia), post traumatische stress stoornis en/of overwegingen of pogingen tot zelfdoding, volgens Freud de meest agressieve daad van een mens tegen zichzelf. 
Het tweede mechanisme is: crimineel gedrag. Slachtoffers van pesten verdedigen zich dan door de dader van pesten te verwonden of te doden. Voorbeelden hiervan zijn: de dodelijke steekpartij vanwege pesten op het Technisch College in Amsterdam; de dodelijke steekpartij vanwege pesten op het Corbulo College in Voorburg en de - door snel ingrijpen van de omstanders - net niet dodelijke steekpartij van een pester door een slachtoffer van pesten, Ange M., op de galerij van de flat van zijn ouders in Zoetermeer. 
En het derde mechanisme is: niets doen en daarmee de negatieve gevolgen van pesten, zoals depressie, laag zelfbeeld, laag zelfvertrouwen, grote gevoelens van eenzaamheid, eetstoornissen, post traumatische stress stoornis, aanvaarden.
Hieronder een uitwerking van deze drie coping mechanismen, gerelateerd aan de vraag wie voor de gevolgen van de coping mechanismen verantwoordelijk kan of kunnen worden gesteld.

1 Zelfdoding vanwege pesten
Op www.pesten.net wordt in de rubriek Zelfdoding, eerste kolom verticaal, een overzicht gegeven van de zelfmoorden vanwege pesten van leerlingen basisonderwijs, voortgezet onderwijs en hbo in Nederland. Het overzicht is niet actueel: niet alleen zijn nog niet alle bekende leerlingen vermeld, ook geldt binnen Nederland de afspraak dat journalisten – vanwege mogelijk copycat gedrag van scholieren - zelfdodingen van leerlingen niet vermelden. Dit is een goede afspraak gebleken. Toen namelijk een nichtje van Tim Ribberink zijn aan haar gericht sms-bericht over het feit dat hij vanwege pesten een einde aan zijn leven ging maken, op papier had geschreven, deze tekst op zijn kist had gelegd, een NOS-camera hierop inzoomde en hierdoor bekend werd dat hij zelfmoord vanwege pesten had gepleegd, beroofden vlak daarna Fleur Bloemen en zes andere leerlingen, die de pers niet haalden, zich vanwege pesten van het leven.
Wanneer leerlingen zich vanwege pesten van het leven beroven, moet de vraag worden gesteld wie hiervoor verantwoordelijk kan worden gesteld. Is dat de Oudervereniging, het team, de school, de Ondernemingsraad, de directie, de (voorzitter van de) Raad van Bestuur, het Nederlands Jeugd Instituut dat een eerste commissie instelde om antipestprogramma’s al dan niet goed te keuren en dat, in opdracht van het ministerie van OCW, samen met kinderombudsman Dullaert, een tweede commissie, de  Commissie Antipestprogramma’s, installeerde? De taak van de laatste commissie was om, met behulp van drie volstrekt irrelevante criteria, oordelen te vellen over bestaande antipestprogramma’s. Of kan het ministerie van OCW verantwoordelijk worden gesteld voor de zelfdodingen vanwege pesten? Dit ministerie is namelijk vanaf 1996 bij voortduring gewezen op het feit dat pesten met behulp van de vigerende antipestprogramma’s niet kón worden opgelost, om welke reden dit ministerie op een gegeven moment aan de boodschapper van dit bericht te kennen gaf dat brieven van hem over de volgens hem verkeerde aanpak van pesten door het ministerie niet meer zouden worden beantwoord. Zie hiervoor de rubriek Ministerie van Onderwijs op deze site (tweede kolom verticaal).
In eerste instantie zou men (de voorzitter van) de Raad van Bestuur verantwoordelijk kunnen stellen voor de zelfdoding van een leerling vanwege pesten. Immers, volgens artikel 658, Burgerlijk Wetboek, heeft een school de plicht niet alleen fysieke, maar volgens een arrest van de Hoge Raad, ook psychische, veiligheid, ook aan leerlingen, te geven (6). Als derhalve een leerling van een school zich vanwege pesten van het leven heeft beroofd en kan worden aangetoond dat deze school geen of een ondeugdelijk antipestbeleid had, kan de school voor deze zelfmoord aansprakelijk worden gesteld. Wanneer de school een door het NJI goedgekeurde antipestmethode volgde, kan deze school op haar beurt het NJI of de individuele leden van het NJI aansprakelijk stellen. Op haar beurt kan het NJI het ministerie van OCW verantwoordelijk stellen, dit vanwege het feit dat OCW vanaf 1996 geweigerd heeft te luisteren naar zeer gefundeerde waarschuwingen van een deskundige op dit onderwerp. 

2 Moord vanwege pesten
Hiervóór werden drie voorbeelden van leerlingen gegeven die vanwege pesten het heft in eigen hand namen, de dader(s) van pesten met een mes bedreigden, in twee gevallen met dodelijke afloop en in het derde geval - door snel ingrijpen van de omstanders - net niet-dodelijke afloop. Hiervan werd gezegd dat deze drie acties voorbeelden van crimineel gedrag waren. 
Zo ziet justitie het. Ik zie het als noodweer of noodweerexces (Artikel 41, WvS). Het argument hiervoor is, zoals reeds gesteld, dat een school volgens artikel 658, Burgerlijk Wetboek, lid 1 en 2, verplicht is maatregelen te treffen inzake niet alleen fysieke, maar volgens een arrest van de Hoge Raad, ook psychische, veiligheid (6). Een school derhalve die deze veiligheid niet geeft, is/wordt dan een black board jungle, waar het recht van de sterkste geldt. Als een leerling dan door een groep voortdurend wordt gepest, zoals in de drie hierboven genoemde voorbeelden, de school op pesten geen of aantoonbaar slecht beleid heeft ontwikkeld dan wel het door alle geledingen aanvaarde en goede antipestbeleid niet uitvoert, dan heeft de gepeste leerling naar mijn mening het recht voor zichzelf op te komen, het recht dus om een beroep te doen op nooweer of noodweerexces.
Ook toonde de zaak van het Technisch College Amsterdam aan dat deze rechtbank volstrekt niet op de hoogte was van de beschikbare onderzoeksresultaten op dit onderwerp. In deze zaak gaf ze straf met als argument dat de gepeste leerling de mogelijkheid had gehad in ieder geval zijn ouders op de hoogte te stellen van het feit dat hij werd gepest. En, als hij het niet aan zijn ouders had durven vertellen, hij nog altijd de mogelijkheid had gehad zijn mentor te informeren. 
Onderzoek, uitgevoerd door Ton Mooij, hoogleraar Psychologie Radboud Universiteit en senior onderzoeker ITS, leverde in dit verband de volgende gegevens op: 90% van de gepeste leerlingen uit het voortgezet onderwijs vertelt het niet aan hun ouders dat ze worden gepest en 98% van hen brengt hun mentor niet ervan op de hoogte (7). Hoezo "de leerling had het in ieder geval aan zijn ouders kunnen vertellen, hoezo de leerling had het, als hij het niet aan zijn ouders had durven vertellen, dan toch in ieder geval wel aan zijn mentor kunnen vertellen? De waarschijnlijke reden dat hij het niet aan iemand had durven vertellen: de samenzwering om te zwijgen, ook wel de angst 'genoemd verklikker' te worden/zijn en daarvoor (nog meer) gestraft te worden.
Ook nu weer geldt de volgende redenering. Wanneer leerlingen vanwege pesten een ander van het leven beroven, moet de vraag worden gesteld wie hiervoor verantwoordelijk kan worden gesteld. Is dat de Oudervereniging, het team, de school, de Ondernemingsraad, de (voorzitter van de) Raad van Bestuur, het Nederlands Jeugd Instituut dat een eerste commissie instelde om antipestprogramma’s al dan niet goed te keuren of het Ministerie van Onderwijs, dat, samen met kinderombudsman Dullaert, een aantal 'deskundigen' uitzocht, deze groep de naam Commissie Antipestprogramma's gaf, deze commissie onderbracht bij het Nederlands Jeugd Instituut en aan de groep de opdracht gaf om oordelen te vellen over de bestaande antipestprogramma's? Haar taak was om, met behulp van drie volstrekt irrelevante criteria, oordelen te vellen over bestaande antipestprogramma’s. Of kan het ministerie van OCW voor de tweede keer verantwoordelijk worden gesteld voor de moorden vanwege pesten? Dit ministerie is namelijk vanaf 1996 bij voortduring gewezen op het feit dat pesten met behulp van de vigerende antipestprogramma’s niet kón worden opgelost, om welke reden dit ministerie op een gegeven moment aan de boodschapper van dit bericht te kennen gaf dat brieven van hem over de volgens hem verkeerde aanpak van pesten door het ministerie niet meer zouden worden beantwoord.
In eerste instantie zou men (de voorzitter van) de Raad van Bestuur verantwoordelijk kunnen stellen. Immers, volgens artikel 658, Burgerlijk Wetboek, heeft een school de plicht niet alleen fysieke, maar volgens een arrest van de Hoge Raad, ook psychische, veiligheid, ook aan leerlingen, te geven (6). Als derhalve een gepeste leerling een pestende klas- of schoolgenoot van het leven heeft beroofd en kan worden aangetoond dat deze school geen of een ondeugdelijk antipestbeleid had, kan de school voor deze moord aansprakelijk worden gesteld. Wanneer de school een door het NJI goedgekeurde antipestmethode volgde, kan deze school op haar beurt het NJI of de individuele leden van het NJI voor de moord aansprakelijk stellen. Op haar beurt kunnen de school en het NJI het ministerie van OCW verantwoordelijk stellen, dit vanwege het feit dat OCW vanaf 1996 geweigerd heeft te luisteren naar zeer gefundeerde waarschuwingen van een deskundige op dit onderwerp. 

3 De negatieve gevolgen van buitensluiten en pesten aanvaarden
Tot slot het derde coping mechanisme van gepeste dan wel buitengesloten leerlingen: (de negatieve gevolgen van) pesten aanvaarden. Hiermee worden de volgende gevolgen van buitensluiten bedoeld: depressie, post traumatische stress stoornis, gevoelens van eenzaamheid, laag zelfbeeld, laag zelfvertrouwen en ongelukkig zijn, welke de aangetoonde gevolgen zijn van het feit dat in iedere groep van dertig leerlingen gemiddeld genomen altijd vier tot vijf leerlingen verworpen worden en in reactie hierop bovengenoemde effecten oplopen.
Ook nu weer geldt de volgende redenering. Wanneer leerlingen vanwege buitensluiten door andere leerlingen, in hoge mate depressief worden, een post traumatische stress syndroom oplopen, grote gevoelens van eenzaamheid ervaren, een laag zelfbeeld en laag zelfvertrouwen ontwikkelen en in hoge mate ongelukkig zijn, moet de vraag worden gesteld wie hiervoor verantwoordelijk kan worden gesteld. Is dat de Oudervereniging, het team, de school, de Ondernemingsraad, de (voorzitter van de) Raad van Bestuur, het Nederlands Jeugd Instituut dat een eerste commissie instelde om antipestprogramma’s al dan niet goed te keuren en dat, in opdracht van het ministerie van OCW, samen met kinderombudsman Dullaert, een tweede commissie, de  Commissie Antipestprogramma’s, installeerde? Haar taak was om, met behulp van drie volstrekt irrelevante criteria, oordelen te vellen over bestaande antipestprogramma’s. Of kan het ministerie van OCW voor de tweede keer verantwoordelijk worden gesteld voor de aangetoonde negatieve gevolgen van buitensluiten? Dit ministerie is namelijk vanaf 1996 bij voortduring gewezen op het feit dat pesten met behulp van de vigerende antipestprogramma’s niet kón worden opgelost, om welke reden dit ministerie op een gegeven moment aan de boodschapper van dit bericht te kennen gaf dat brieven van hem over de volgens hem verkeerde aanpak van pesten door het ministerie niet meer zouden worden beantwoord.
In eerste instantie zou men (de voorzitter van) de Raad van Bestuur verantwoordelijk kunnen stellen. Immers, volgens artikel 658, Burgerlijk Wetboek, heeft een school de plicht niet alleen fysieke, maar volgens een arrest van de Hoge Raad, ook psychische, veiligheid, ook aan leerlingen, te geven (6). Als derhalve vier tot vijf leerlingen per groep vanwege buitensluiten negatieve effecten oplopen en kan worden aangetoond dat deze school geen of een ondeugdelijk antipestbeleid had, kan de school voor de voornoemde gevolgen van buitensluiten, als een van de voornaamste vormen van pesten, aansprakelijk worden gesteld. Wanneer de school een door het NJI goedgekeurde antipestmethode volgde, kan deze school op haar beurt het NJI of de individuele leden van het NJI aansprakelijk stellen. Op haar beurt kunnen de school en het NJI het ministerie van OCW verantwoordelijk stellen, dit vanwege het feit dat OCW vanaf 1996 geweigerd heeft te luisteren naar zeer gefundeerde waarschuwingen van een deskundige op dit onderwerp. 

Literatuur
1 Meer, B. van der (2000-6). CD-Rom Signaleringsinstrument Risicoleerlingen. Rosmalen: E2V2.
Meer, B. van der (2000-7). Brochure Signaleringsinstrument Risicoleerlingen, achtergronden en verantwoording. Rosmalen: E2V2. 
2 Meer, B. van der (1991-1). Het zondebokfenomeen op school. In: Gelukkig op school? Emotionele stoornissen en het functioneren op school, onder redactie van A. Collot d’Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & J. Tijhuis. Lisse: Swets en Zeitlinger. 
3 Meer, B. van der (1993-4). De Probleemaanpak. Berkhout BV: Nijmegen:
4 Meer, B. van der (1995-2). Attitudeverandering door middel van pestprojecten. In: Sociale vaardigheidstraining voor kinderen, indicaties, knelpunten, onder redactie van A. Collot d’Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & E. Mackaay-Cramer. Lisse: Swets en Zeitlinger. 
5 Meer, B. van der (2000-3). School en geweld, oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum.
6 Koster, G.S.M. (2015). De toetssteen van de zorgplicht rustend op scholen. Didam: Koster.
7 Mooij, T. (1992). Pesten in het onderwijs. Nijmegen: Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen/Radboud Universiteit.
 
c Bob van der Meer
E2V2, Rosmalen
14-12-2016

 
© 2017 Bob van der Meer